Nieuwe Box 3-belasting vanaf 2028

De vermogensaanwasbelasting is onderdeel van een nieuw box 3-stelsel dat het huidige systeem met een fictief rendement moet vervangen. In plaats van belasting over een veronderstelde opbrengst, wordt belasting geheven over het werkelijk behaalde rendement op vermogen in box 3.

Het kabinet wil dit nieuwe stelsel per 1 januari 2028 invoeren. Ondanks stevige kritiek in de Tweede Kamer lijkt een meerderheid voorlopig bereid daarmee in te stemmen, vooral omdat verder uitstel de overheid miljarden euro’s zou kosten.

Belasting over het werkelijke rendement

In het nieuwe box 3-stelsel vormt het werkelijke rendement de basis voor de belastingheffing. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen twee manieren van belasten: de vermogensaanwasbelasting en de vermogenswinstbelasting.

Vermogensaanwasbelasting: jaarlijkse heffing

Voor de meeste bezittingen in box 3 geldt de vermogensaanwasbelasting. Daarbij wordt het rendement jaarlijks belast. Dit rendement bestaat uit:

  • rente, dividend en huurinkomsten, verminderd met aftrekbare kosten zoals beheerkosten, onderhoudskosten en financieringsrente over box 3-schulden. Niet alle kosten zijn daarbij aftrekbaar; kosten met een consumptief of gemengd karakter zijn wettelijk uitgesloten
  • waardestijgingen en waardedalingen van beleggingen, zoals aandelen, obligaties, beleggingsfondsen en cryptovaluta, ook als deze nog niet zijn gerealiseerd

Dit betekent dat beleggers bij deze vermogensbestanddelen belasting betalen over zogenoemde papieren winsten.

Bij onroerende zaken in box 3 kan ook eigen gebruik leiden tot een belast voordeel: de economische huurwaarde, die in het voorstel forfaitair wordt bepaald via een vastgoedbijtelling.

Vermogenswinstbelasting: heffing bij realisatie

Voor een beperkt aantal vermogensbestanddelen geldt een uitzondering op deze hoofdregel. Zij vallen niet onder de vermogensaanwasbelasting, maar onder een vermogenswinstbelasting. In die gevallen wordt de waardestijging pas belast bij verkoop of andere situaties waarin het vermogensbestanddeel de box 3-sfeer verlaat; bij emigratie kan dat met name spelen voor buiten Nederland gelegen onroerende zaken.

Voor onroerende zaken in box 3 betekent dit dat de waardestijging van een pand pas wordt belast bij verkoop. Huurinkomsten blijven wel jaarlijks belast.

Ook aandelenbelangen van minder dan 5 procent in startende ondernemingen (BV’s en NV’s) vallen onder de vermogenswinstbelasting. Daarbij wordt de waardestijging van de aandelen pas belast bij verkoop of realisatie of wanneer de onderneming niet langer als startend kwalificeert, terwijl dividenduitkeringen jaarlijks worden belast.

Heffingsvrij resultaat in box 3

Het heffingvrije vermogen verdwijnt en wordt vervangen door een heffingsvrij resultaat (naar verwachting € 1.800 per belastingplichtige). Pas boven dat jaarlijkse rendement is belasting verschuldigd.

Over het belastbare resultaat in box 3 wordt een vast belastingtarief van 36 procent voorgesteld. Dit tarief wordt toegepast nadat het heffingsvrije resultaat is verrekend en eventuele verliezen uit andere jaren zijn meegenomen, waarbij een verliesverrekeningsdrempel van € 500 geldt.

Welk vermogen valt binnen en buiten box 3?

De eigen woning valt niet in box 3, maar in box 1. De invoering van de vermogensaanwasbelasting heeft geen gevolgen voor de fiscale behandeling van de eigen woning.

Pensioen en fiscaal gefaciliteerde (bruto) lijfrenteproducten vallen buiten box 3 en worden niet geraakt door het nieuwe stelsel. De inleg voor deze producten is aftrekbaar van het inkomen en de uitkeringen worden later belast in box 1. Omdat het pensioenvermogen niet vrij beschikbaar is en bedoeld is voor inkomen na pensionering, blijft het volledig buiten de heffing in box 3.

Verzekeringsproducten, zoals kapitaalverzekeringen, vallen in beginsel wél in box 3 en worden belast via de vermogensaanwasbelasting. Zuivere overlijdensrisicoverzekeringen zijn volledig vrijgesteld.

Nettolijfrenten en nettopensioenen vormen een aparte categorie. Dit zijn pensioenproducten waarvoor de premie wordt betaald uit netto-inkomen en waarvoor later geen inkomstenbelasting wordt geheven over de uitkering. De inleg is niet aftrekbaar. Deze producten vallen formeel in box 3, maar zijn op grond van een specifieke wettelijke vrijstelling uitgezonderd van box 3-heffing, zolang aan de voorwaarden wordt voldaan.

Bij een onregelmatige handeling, zoals voortijdige afkoop in strijd met de regels, vervalt de vrijstelling en wordt alsnog afgerekend op basis van het werkelijke rendement.

Waarom wordt dit ingevoerd?

Het huidige box 3-stelsel werkt met een forfaitair rendement dat vaak geen goede afspiegeling is van wat mensen daadwerkelijk verdienen met hun vermogen. Hierdoor werd in sommige gevallen belasting geheven over inkomsten die feitelijk niet zijn behaald, bijvoorbeeld bij lage spaarrentes of dalende beurskoersen.

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat dit in strijd kan zijn met het eigendomsrecht en het discriminatieverbod. Met de Wet werkelijk rendement box 3 wil de wetgever het stelsel juridisch houdbaarder maken en beter laten aansluiten bij de draagkracht van belastingplichtigen.

Wanneer gaat dit in?

Het wetsvoorstel is op 19 mei 2025 aan de Tweede Kamer aangeboden. Om invoering per 1 januari 2028 mogelijk te maken, moet de Tweede Kamer het wetsvoorstel uiterlijk 15 maart 2026 aannemen. Daarna moet de wet nog worden goedgekeurd door de Eerste Kamer.

De invoering is daarmee nog niet definitief en blijft afhankelijk van het verdere parlementaire proces. Het kabinet heeft het wetsvoorstel nader toegelicht in de bijbehorende memorie van toelichting.

Voor wie heeft dit gevolgen?

Iedereen met box 3-vermogen valt onder het nieuwe stelsel. Alleen een positief rendement boven het heffingsvrije resultaat wordt belast. Bij een negatief rendement is geen box 3-belasting verschuldigd; verrekenbare verliezen kunnen worden meegenomen naar latere jaren, voor zover zij de wettelijke drempel overschrijden.

Voor beleggers in bijvoorbeeld aandelen, obligaties, beleggingsfondsen en cryptovaluta kan het nieuwe stelsel betekenen dat zij eerder belasting betalen, omdat bij veel beleggingen ook ongerealiseerde waardestijgingen worden belast. Spaarders met een laag rendement kunnen, afhankelijk van de marktomstandigheden, minder belasting gaan betalen dan onder het oude forfaitaire systeem.

Voor vastgoedbeleggers kan het nieuwe stelsel in meerdere opzichten nadelig uitpakken. De werkelijke huurinkomsten minus kosten worden jaarlijks belast en kunnen hoger uitvallen dan het forfaitaire rendement dat in het oude systeem werd gehanteerd. Daarnaast wordt de waardestijging van een beleggingspand belast bij verkoop, wat kan leiden tot een hoge belastingheffing in één jaar.

Veelgestelde vragen over vermogensaanwasbelasting

Nee. Roerende zaken voor eigen gebruik, zoals auto’s, caravans en boten, blijven buiten de box 3-heffing. Alleen roerende zaken die hoofdzakelijk als belegging worden aangehouden, zoals een kunstcollectie, vallen wel in box 3.

Nee. De verkoop van de eigen woning die als hoofdverblijf dient, valt niet onder box 3, maar onder box 1. De eventuele winst (overwaarde) die ontstaat bij verkoop van de eigen woning wordt niet belast met inkomstenbelasting. De vermogensaanwasbelasting en vermogenswinstbelasting zijn hier niet van toepassing.

Wel kan de overwaarde gevolgen hebben voor de hypotheekrenteaftrek bij de aankoop van een volgende woning, via de zogenoemde bijleenregeling.

De inkomsten en waardeveranderingen van box 3-vermogen die in een bepaald jaar in de belastingheffing worden betrokken, worden bij elkaar opgeteld. Het totale resultaat bepaalt of en hoeveel box 3-belasting verschuldigd is, na toepassing van het heffingsvrije resultaat en eventuele verliesverrekening.

Vergelijkbare berichten

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *